@Els
In 2021 stopte ik met mijn werk als osteopaat. Ik had vijf jaar voor het vak gestudeerd en er jarenlang in gewerkt, maar ik liep vast.
Een deel van die vastgelopen vraag kwam uit Een cursus in wonderen (A Course in Miracles), een spiritueel leerpad dat ik al jaren bestudeerde. De Cursus leert dat wij in werkelijkheid geen lichamen zijn. Maar als dat zo is, wat deed ik dan eigenlijk de hele dag als osteopaat?
Enkele jaren later begon ik opnieuw. Dezelfde behandeltafel, dezelfde handen, maar de vraag was intussen veranderd. Misschien hoefde ik niet eerst het juiste beroep te vinden om de Cursus te kunnen leven. Misschien kon ik ook hier leren om minder zelf te willen dragen.
Op zoek naar iets
In 2005 studeerde ik af als osteopaat na een vijfjarige voltijdse opleiding in Gent. Al tijdens mijn studie was ik geboeid door het raakvlak tussen het fysieke en het onzichtbare.
Hoe kan één bevruchte eicel uitgroeien tot een volledig menselijk lichaam? Welke ordenende kracht stuurt dat proces, en blijft ze ons hele leven werkzaam? Ik had er geen antwoord op, maar ik voelde toen al dat het leven meer was dan wat we met onze ogen zien en met onze handen voelen.
Na mijn afstuderen verhuisde ik naar Zwitserland om er in een praktijk te werken. De bergen, de natuur en de afstand tot mijn ouderlijk huis kwamen mij op dat moment bijzonder goed uit. Na de intensiteit van mijn opleiding verlangde ik naar rust en ademruimte.
Ik las zowat alles wat ik kon vinden over spiritualiteit, persoonlijke ontwikkeling, healing en mystieke ervaringen. Als iemand ergens beweerde een antwoord te hebben op de zin van het leven, was de kans groot dat ik het boek bestelde. Ik was duidelijk op zoek.
Tegelijk voelde ik mij sterk verantwoordelijk voor andere mensen, de natuur en ongeveer alles wat verkeerd ging in de wereld. Dat is een omvangrijke functieomschrijving voor één persoon, maar ik nam ze destijds vrij ernstig.
Rond 2007 of 2008 bestelde ik A Course in Miracles in het Engels. Het boek werd tussen 1965 en 1972 opgetekend door de Amerikaanse psychologe Helen Schucman en verscheen in 1976. Ik begreep er vrijwel niets van. Enkele uitspraken over wonderen intrigeerden mij, maar verder was de Cursus vooral een zeer dik boek dat indrukwekkend in mijn boekenkast stond.
Een vrede zonder verklaring
In diezelfde periode reed ik op een dag vanuit Zwitserland naar België voor een familiebezoek. Tijdens de autorit werd ik plotseling overvallen door een onbeschrijflijk gevoel van vrede en onvoorwaardelijke liefde.
Ik keek naar de auto’s die voorbijreden en voelde een diepe liefde voor de onbekende mensen erin. Ik wist niets over hen, en toch leek er geen afstand te bestaan. Alle zwaarte viel weg: geen gepieker, geen problemen die dringend opgelost moesten worden. Niets hoefde anders te zijn dan het was.
Ik was zelfs zo ontspannen dat ik een afrit miste. Normaal zou dat voldoende zijn geweest om minstens een kwartier mijn eigen verstrooidheid te analyseren. Nu was ook de omweg volkomen in orde.
Ik weet niet hoelang deze ervaring duurde. Zoals ze gekomen was, verdween ze later ook weer. De gewone versie van mezelf keerde terug, inclusief gedachten, zorgen en de vertrouwde behoefte om dingen onder controle te houden.
Maar ik wist voortaan dat zo’n vrede bestond. Ik wist alleen nog niet wat ze betekende.
Ongeveer een jaar later las ik De verdwijning van het universum van Gary Renard, een boek dat de Cursus op een toegankelijke manier uitlegt. Daardoor kreeg ik er voor het eerst vat op. Vooral het idee dat deze wereld niet de Werkelijkheid is, bracht mij een enorme opluchting.
Misschien hoefde ik de wereld toch niet persoonlijk te redden. Een interessante gedachte voor iemand die daar ongevraagd al een tijdje mee bezig was. Pas later begreep ik dat dit geen uitnodiging was om de wereld onverschillig de rug toe te keren, maar om er anders naar te kijken.
Wat de Cursus leert, in een notendop
Voor wie de Cursus niet kent, schets ik kort waar hij over gaat. Dit is mijn eigen samenvatting, geen volledige uitleg.
De Cursus gebruikt christelijke woorden als God, Christus en de Heilige Geest, maar geeft er vaak een andere betekenis aan dan de kerk. Hij is geen religie met regels of rituelen, maar een zelfstudie: een tekstboek, een werkboek met 365 dagelijkse lessen en een handleiding voor leraren.
Het uitgangspunt is eenvoudig en radicaal tegelijk. Er is maar één Werkelijkheid: God, of Liefde, waarin alles één is en niets ontbreekt. Wij zijn daar nooit werkelijk uit weggegaan.
Toch geloven we diep vanbinnen dat we ons van die Bron hebben afgescheiden. Dat geloof in de afscheiding is volgens de Cursus de ene vergissing onder al onze problemen. Wat we als wereld en lichaam ervaren, vergelijkt hij met een droom die uit dat geloof voortkomt. Ik ben dus niet het slachtoffer van de droom, maar de dromer ervan.
Dat geloof brengt een diepe, meestal onbewuste schuld en angst met zich mee, alsof we iets onvergeeflijks hebben gedaan. Omdat die schuld ondraaglijk aanvoelt, leggen we haar buiten onszelf: in andere mensen, in de wereld, in het lichaam. De Cursus noemt dat projectie. Wat ik in een ander veroordeel, is in de kern wat ik bij mezelf niet wil zien.
Het denksysteem dat op de afscheiding gebouwd is, noemt de Cursus het ego. Het ego is geen vijand buiten mij, maar een manier van denken die ik zelf steeds opnieuw kies. Daartegenover staat de Heilige Geest: de herinnering aan de waarheid die in onze denkgeest bewaard blijft, een andere Leraar en een andere manier van kijken. Met mijn Ware Zelf bedoel ik wie ik werkelijk ben, voorbij het ego en het lichaam.
Daardoor heeft vergeving in de Cursus een bijzondere betekenis. Het is niet iemand iets kwijtschelden wat hij werkelijk misdaan heeft. Het is herkennen dat ik mijn eigen schuld op de ander heb geprojecteerd, en dat die schuld berust op iets wat nooit werkelijk gebeurd is. Dan valt er niets meer te projecteren. Een wonder is in de Cursus die verschuiving in de manier van kijken, van angst naar liefde.
Belangrijk is ook wat mijn eigen aandeel daarin is. Ik hoef de vergissing niet zelf te herstellen. Mijn deel is bereidheid: opmerken dat mijn manier van kijken mij geen vrede brengt, en bereid zijn die over te dragen. De correctie zelf gebeurt door de Heilige Geest.
Het lichaam is in die visie niet wie wij zijn, maar ook niet slecht. Het is neutraal: het ego gebruikt het om de afscheiding te bevestigen, de Heilige Geest gebruikt het om te communiceren en te leren. De Cursus vraagt ook niet om ons lichaam of onze ervaringen te ontkennen; hij noemt dat zelfs een onnodige vorm van ontkenning. We eten, slapen, gaan naar de dokter en zorgen voor elkaar. De verandering zit niet in wat we doen, maar in hoe we ernaar kijken.
Mijn eerste pogingen tot vergeving
Rond 2009 begon ik de Cursus werkelijk te bestuderen. Dat ging met ups en downs.
In het begin maakte ik zelfs van vergeving een nieuwe opdracht. Ik probeerde mijn gedachten zelf te corrigeren en iedereen die ik tegenkwam te vergeven. Ook mijn patiënten werden tijdens behandelingen in stilte ijverig door mij vergeven.
Ik deed heel hard mijn best om los te laten. Dat alleen al had een aanwijzing kunnen zijn.
Geleidelijk begon ik te begrijpen dat ik vergeving niet zelf hoefde te volbrengen. Mijn aandeel was herkennen dat mijn manier van kijken mij geen vrede bracht, en bereid zijn die over te dragen. De correctie mocht ik overlaten aan de Heilige Geest, aan mijn Ware Zelf.
Ik begreep dat aanvankelijk vooral intellectueel. Het werkelijk toepassen was een ander verhaal. Mijn oude reflex bleef om zelf te analyseren, te corrigeren en te dragen. Ook vergeving kon ongemerkt een project worden waarin ik het nog altijd allemaal zelf probeerde te regelen.
En juist in mijn werk werd steeds duidelijker hoeveel ik nog droeg.
Waarom ik afstand moest nemen
Ik voelde mij steeds minder goed als osteopaat. Ik had periodes van hevige rugpijn, was moe en merkte dat verhalen van patiënten diep in mij resoneerden. Vooral wanneer trauma of emotionele pijn meespeelde, leek ik de zwaarte van de ander mee naar huis te nemen.
Mijn werk begon ook te botsen met wat ik in de Cursus las. Mijn dagen draaiden om lichamen: wat niet goed functioneerde, waar spanning zat, welke structuur beperkt was en wat gecorrigeerd moest worden. Voor mij hield die voortdurende gerichtheid de overtuiging levend dat wij lichamen zijn, en dat zowel het probleem als de oplossing zich daar bevinden.
Dat betekende niet dat osteopathie verkeerd was. Ik merkte alleen dat ík afstand nodig had.
Er speelde in mij veel waarvan ik mij toen nauwelijks bewust was. De dagelijkse aandacht voor problemen in andere lichamen gaf mij niet de innerlijke ruimte om naar mijn eigen pijn te kijken.
Tijdens de coronaperiode kreeg ik noodgedwongen meer afstand van mijn praktijk. Ik had tijd om meer in de Cursus te lezen, te mediteren en stil te staan bij wat ik nodig had.
Op een dag reed ik nog naar mijn werk, en onderweg kwam opnieuw dat gevoel van vrede. Minder overweldigend dan de eerste keer in Zwitserland, maar heel herkenbaar. Die dag kon ik volledig aanwezig zijn zonder de problemen van mijn patiënten te dragen. Ik hoefde niets te bewijzen of op te lossen. Ik deed mijn werk, maar het voelde niet alsof alles van mij afhing.
Ironisch genoeg was dit misschien een van mijn mooiste werkdagen als osteopaat. En toch voelde ik nog steeds dat ik moest stoppen.
Dat was moeilijk. Osteopaat zijn was niet alleen mijn beroep, maar ook een deel van mijn identiteit. Toch vertrouwde ik erop dat ik geleid werd, ook al kreeg ik geen keurige routebeschrijving. Misschien hoefde ik niet de perfecte beslissing te nemen. Misschien mocht ik erop vertrouwen dat de Heilige Geest mij niet zou verlaten wanneer ik toevallig de afslag houttechnologie nam. Want dat deed ik.
Ik stopte met mijn praktijk en ging opnieuw studeren. Het was financieel, professioneel en persoonlijk een grote stap. Soms vroeg ik mij af waar ik mee bezig was, maar ik heb er nooit spijt van gehad. De afstand bleek nodig.
Wat zichtbaar werd
Ongeveer anderhalf jaar later kwam binnen mijn familie seksueel misbruik aan het licht. Een jong familielid vertelde wat haar was overkomen. Daardoor vielen ook delen van mijn eigen vroege geschiedenis op hun plaats.
Ik barstte in tranen uit en was ontroostbaar. Wat ik jarenlang had gekend als een vaag vermoeden, onverklaarbare angst en een diep gebrek aan veiligheid, kreeg plotseling een context.
Daar begon geen snelle bevrijding, maar een bewustwordings- en helingsproces dat nog altijd voortduurt.
Het was belangrijk dat dit concrete thema zichtbaar werd. Tegelijk geloof ik niet dat we ieder trauma, iedere herinnering of iedere onbewuste overtuiging afzonderlijk moeten opgraven voordat heling mogelijk is. Onder de vele vormen ligt volgens de Cursus uiteindelijk één vergissing: het geloof dat de afscheiding werkelijk heeft plaatsgevonden. Wat in mijn leven naar boven kwam, kon ik meenemen in mijn oefening in vergeving, zonder van mezelf te verlangen dat ik ieder detail moest begrijpen.
Omdat vergeving hier makkelijk verkeerd begrepen wordt, maak ik een onderscheid tussen twee niveaus. In de wereld is wat er gebeurde werkelijk schadelijk, en zijn bescherming, grenzen en verantwoordelijkheid volkomen terecht. Vergeving in de zin van de Cursus verandert daar niets aan. Ze betekent niet dat het gebeurde onbelangrijk is, en ook niet dat de schuld bij het slachtoffer ligt.
Vergeving speelt zich af in mijn eigen denkgeest. Ze vraagt mij niet om iets te ontkennen, goed te praten of er snel “spiritueel boven” te gaan staan. Ik mocht mijn verdriet voelen, en mijn angst, boosheid, schuldgevoelens en oordelen zien. En vervolgens erkennen:
Ik weet niet wat dit werkelijk betekent.
Ik hoef het niet langer alleen te dragen.
Help mij dit anders te zien.
De Cursus gaat daarin nog een stap verder. Wat ik werkelijk ben, mijn Ware Zelf, kan door wat er in de wereld gebeurde niet geraakt worden. Dat is voor mij geen gedachte om pijn mee weg te duwen, maar een richting waarin ik mag leren kijken, in mijn eigen tempo.
Bewust worden van iets betekent ook niet dat ik het daarna zelf moet genezen.
Eenvoudig is niet hetzelfde als gemakkelijk
In de jaren die volgden, werd het lezen en beluisteren van de Cursus een vertrouwd onderdeel van mijn dagelijks leven. Vergeving werd minder een speciale oefening voor uitzonderlijk moeilijke momenten en meer een steeds terugkerende manier van kijken.
Wanneer ik mij erger of gekwetst voel, probeer ik op te merken wat er eigenlijk gebeurt. Vaak zie ik dan dat ik onbewust geloof dat ik schuldig ben aan de afscheiding, en dat ik die schuld buiten mij leg, bij de ander. Vergeven is dan inzien dat ik niets hoef te projecteren, omdat de afscheiding in werkelijkheid nooit heeft plaatsgevonden. Dat inzicht maak ik niet zelf; ik kan er alleen bereid toe zijn.
De keuze lijkt in wezen eenvoudig: ik kijk met het ego of met Liefde. Overzichtelijker kan haast niet. Toch maakt mijn ego van die twee mogelijkheden geregeld een uitgebreid besluitvormingsproces.
In sommige situaties is het nog steeds verdomd moeilijk om mijn gelijk, gekwetstheid of angst los te laten. Dan weet ik heel goed welke keuze vrede brengt, terwijl een ander deel van mij liever eerst een sluitend dossier tegen de ander opbouwt.
Mijn wonderbereidheid, de bereidheid om mij een andere manier van kijken te laten geven, is wel toegenomen. Niet omdat ik altijd meteen juist kies, maar omdat de tijd tussen vasthouden en overdragen korter wordt. Ik herken sneller dat ik zelf probeer te oordelen en kan eerder zeggen:
Ik weet niet hoe ik hiernaar moet kijken. Laat me voorbij zien aan illusies.
Soms gebeurt dat snel. Op andere momenten heeft mijn ego blijkbaar nog een vergadering, een tweede opinie en een beroepsprocedure nodig.
De toepassing wordt vertrouwder, maar zeker niet altijd gemakkelijk. Ik ben nog steeds leerling; ik kies alleen iets sneller opnieuw. Juist door dit proces begon ook mijn vroegere werk in een ander licht te verschijnen.
Terug naar dezelfde tafel
Enkele jaren later keerde onverwacht het verlangen terug om opnieuw met mijn handen te werken. Inmiddels had ik een boeiende baan aan een hogeschool. Het zou praktisch zijn geweest als de innerlijke leiding gewoon tevreden was gebleven met mijn nieuwe leven, maar het verlangen naar osteopathie bleef.
Ik had mij geleid gevoeld om te stoppen. Nu voelde ik mij geleid om opnieuw te beginnen. Dat vond ik merkwaardig. Had ik dan zo’n omweg moeten maken om weer bij hetzelfde beroep uit te komen?
Toch was er in die jaren iets veranderd. Toen ik stopte, kon ik mijn werk moeilijk los zien van de overtuiging dat ik anderen moest helpen en hun problemen moest oplossen. Die verantwoordelijkheid woog zwaar. Langzaam begon ik te begrijpen dat ik mijn vak kon uitoefenen zonder te geloven dat alles van mij afhing.
Die verandering is voor mij meer dan een inzicht. Ik merk in mijn werk hoeveel meer vrede de Cursus mij brengt. Ik kan meer aanwezig zijn bij de persoon voor mij. Soms lijkt de afstand tussen ons te verdwijnen. Op zulke momenten voel ik mij gedragen en zekerder, zonder dat ik precies hoef te weten wat er zal gebeuren.
Ik maak mij veel minder zorgen om het resultaat. Het besef dat ik de heling niet zelf doe, wordt steeds vertrouwder. Daardoor kan ik haar ook gemakkelijker laten gebeuren, zonder voortdurend te willen sturen of controleren. Ik heb nog veel te leren, maar als ik terugdenk aan de zwaarte die ik vroeger in mijn werk voelde, is de verschuiving groot.
Mijn oude vraag verloor daardoor iets van haar scherpte. Ik mag zorg dragen voor een lichaam, zonder het te verwarren met wie iemand werkelijk is. Zoals de Cursus het ziet, is het lichaam neutraal: in mijn dagelijks leven kan het een middel tot contact zijn. Ik hoefde de behandeltafel niet te verlaten om te oefenen in een andere manier van kijken.
De biodynamische benadering van osteopathie helpt mij daarbij. In die benadering werk ik met zachte aanraking en probeer ik minder te sturen. Voor mij is ze vooral een oefening in luisteren en in het opmerken van mijn eigen verwachtingen. Dat sluit aan bij wat ik in de Cursus leer, al zijn het voor mij geen twee namen voor dezelfde leer.
Ook de vraag uit mijn studietijd zie ik nu anders. Toen vroeg ik mij af welke kracht een embryo vormt en een lichaam in leven houdt. De Cursus beantwoordt die vraag anders dan ik toen verwachtte: het leven zit volgens hem niet in het lichaam. Wat van die vraag overblijft, is het vermoeden dat mij toen al bezighield: wat we zien, is niet alles.
Toch zijn er nog momenten waarop ik, terwijl ik stil naast iemand zit, vanbinnen hard aan het werk ben. Voel ik wel genoeg? Gebeurt er iets? Zal deze persoon straks verschil merken? Mijn handen bewegen nauwelijks, maar in mijn hoofd heb ik de verantwoordelijkheid alweer volledig naar mij toe getrokken.
Daar herken ik mijn vertrouwde neiging: ik wil het goed doen, ik wil zekerheid, en liefst ook een resultaat waaraan ik kan zien dat ik goed genoeg ben. Juist op dat moment probeer ik te erkennen dat ik ook dit niet alleen hoef op te lossen. Ik hoef niet eerst volmaakt rustig of vrij van verwachtingen te zijn voordat ik om hulp mag vragen.
Heilige Geest, help mij deze persoon en deze situatie anders te zien.
Opnieuw leerling
Daarin is de betekenis van heling voor mij veranderd. In mijn werk blijft verlichting van lichamelijke klachten een belangrijke hulpvraag, en daar zet ik mij met mijn vakkennis volledig voor in. Maar wanneer de Cursus over heling spreekt, bedoelt hij een verandering in de denkgeest: het loslaten van het geloof dat wij afgescheiden zijn en er alleen voor staan. Een lichamelijk resultaat kan mij niet vertellen of die verandering heeft plaatsgevonden.
Mijn eerste ijverige pogingen om patiënten in stilte te vergeven, zie ik daardoor nu anders. Ik was nog zo bezig met wat ik voor hen moest doen. Vandaag probeer ik eerder op te merken hoe ík kijk. Zie ik iemand die ik moet redden? Moet deze ontmoeting mij bevestigen dat ik een goede therapeut ben? Kan ik ook die gedachten laten corrigeren?
De ander hoeft de Cursus daarvoor niet te kennen of mijn overtuiging te delen. Wie bij mij op behandeling komt, krijgt een osteopathische behandeling, geen les in spiritualiteit. Over de Cursus begin ik zelf niet, tenzij iemand er zelf naar vraagt. Wat ik hier beschrijf, is mijn eigen les. En diezelfde les kom ik net zo goed tegen thuis, in een gesprek met een collega of wanneer iemand iets doet waar ik mij aan erger.
Vooral de mensen die het dichtst bij mij staan, laten mij zien waar ik nog aan verwachtingen en oordelen vasthoud. Daar liggen blijkbaar nog wat zorgvuldig bewaarde dossiers. Mijn ego heeft zijn ontslagbrief nog niet ingediend. Eerlijker gezegd: ik heb het nog niet helemaal ontslagen.
Toch merk ik verschil. Ik ben rustiger geworden, en zachter naar mezelf en naar anderen. De behoefte om te pleasen en mij af te vragen of iemand misschien teleurgesteld is, houdt mij minder vast. Ik kan vaker iets laten zoals het is, zonder er onmiddellijk iets mee te moeten.
Dat betekent niet dat ik altijd weet wat leiding is. Ik kan nog steeds angst met leiding verwarren, zelf een plan maken en dat vervolgens enthousiast aan de Heilige Geest proberen toe te schrijven. Ik weet ook niet vooraf hoe mijn werk en mijn leven verder zullen lopen. Die onzekerheid vind ik soms nog lastig.
Maar ik hoef niet meer op alle vragen een antwoord te hebben voordat ik verder mag. Dat is misschien wel de grootste verandering sinds de tijd dat ik de wereld persoonlijk probeerde te redden.
Toen ik mijn praktijk verliet, had ik die afstand nodig. Dat zou ik achteraf niet willen wegredeneren. Pas later ontdekte ik dat terugkeren ook mogelijk was. Dezelfde plek waar ik was vastgelopen, kon opnieuw een plek worden om te leren.
Ik ben er teruggekeerd met meer vrede en vertrouwen, en tegelijk als iemand die nog leert. Soms ga ik opnieuw dragen, sturen en oordelen. Maar dat neemt de verandering die ik ervaar niet weg. Ik hoef er minder lang in te blijven hangen en weet dat ik opnieuw mag kiezen.
Soms begint dat aan de behandeltafel. Soms pas achteraf, wanneer ik besef hoe hard ik weer mijn best heb gedaan.
Dan kan ik alsnog vragen: help mij hier anders naar te kijken.